In het lawaaierige café was het goed toeven omdat het terras vol zat en je zicht had op een plein en de zon scheen. Dat het vrijdag eind van de dag was deed ook goed end at was ook te merken aan de verhalen van de gasten op het terras. Met veel tatoes en platte Antwerpse praat mopperde ze over werk maar waren blij hun kameraden van café weer te zien.
Een witte hond, grijs aan het worden, kwam aangesjokt en kwispelde vriendelijk naar de mensen van het terras.
Een uur later op een ander terras zat ik ruim buiten op een van pallets gemaakte bank wat te roken, lezen en schrijven. Een vriendelijke jongeman vroeg of hij erbij kon komen zitten en een vriendelijke start vind ik altijd plezierig dus ik liet weten open te staan voor gesprek door mijn schrijfblok dicht te doen. De jongeman maakte een start met te zeggen dat hij even moest rusten, dat is te zeggen, hij moest niet rusten, maar zijn hond. Dat was te zeggen, niet zijn hond, eigenlijk de hond van zijn moeder. Maar zijn moeder was overleden, dus nu paste hij op de hond en die was zijn leven en herinnering aan zijn moeder. Waar hij ging, ging de hond. De wandelingen werden rustiger, maar er moest elke dag een toer worden gemaakt en zo belande hij in verschillende cafe’s of bankjes in het park.
De jongeman zag er niet sportief uit, had ook uitslag op verschillende plekken op zijn lichaam en zijn ogen die vol energie stonden leken niet gelijk te lopen met de andere zaken. De hond leek vooral nieuwsgierig en met zijn leeftijd en vriendelijke blik werd de naam die zijn slag honden, een pitbull, normaal had tenietgedaan. Niets agressie, maar rust van een bokser die op leeftijd heeft geleerd dat met vriendelijkheid je verder komt.
De hond was zijn alles, hij had een zware tijd achter de rug, maar nu gingen dingen beter. Hij werd veertig en het werd tijd om weer eens wat extra’s te leren. Hij zou wel graag tandarts willen worden. Dat leek hem een mooi beroep.
Veertig zijn met nog grote wensen.
Vond het fijn dat te horen.
Rudolph
Vrijdag 18 juni 2021